De kunst van het bandenonderhoud (met een vleugje zen) **



‘En hoe moet het met de banden?’
We krijgen bij Britz autoverhuur in Darwin uitleg over het gebruik van een 4x4 roof-top, een vierwiel aangedreven auto met tent op dak. We gaan op Outback safari. En om dit voor ons nieuw avontuur zo goed mogelijk te laten verlopen, willen we uitleg over de do’s and don’ts van deze auto en alle bijgaande apparatuur.


Vanaf Darwin rijden we via de The Gibb River Road, een weg dwars door de Kimberleys van West Australië, naar Perth. Een andere automobilist kom je sporadisch tegen. Althans dat wordt ons verteld. En wat je tegenkomt zijn 4x4’s en road trains, de kolossale vrachtwagens met veelal drie lange opleggers waar je goed voor uit de weg moet gaan, want die denderen in een voortvarend tempo door de Outback.


Gus, een behulpzame jongeman, is ons toegewezen om ons uitleg te geven. Hij heeft ons reeds uitgelegd hoe de
roof-top opgezet moet worden, hoe de koelkast werkt en hoe de versnellingen van de 4x4 aangepast moeten worden al naar gelang de weg waarop gereden wordt. Er bevindt zich een extra versnellingsknuppel in de auto die overgeschakeld moet worden van de gewone weg (H2) naar een dirt road versnelling (H4) of naar de versnelling voor de zware tracks waar de auto extra voor nodig heeft (L4).


Gus legt uit dat we de bandenspanning omlaag moeten brengen als we een
unsealed road opgaan: de bandenspanning moet van 40-45 op de gewone wegen teruggebracht worden naar 30-35 op de pistes. Als we na zo’n grindweg weer de geasfalteerde weg op gaan, moeten we met behulp van een doe-het-zelf-zakformaat-bandenpompstation de bandenspanning weer op niveau brengen. We hebben geluk dat er inmiddels een apparaat beschikbaar is (doordat andere huurders hun auto’s inleveren), want eerder op de ochtend werd ons verteld dat we er zelf eentje moesten kopen in Darwin. We wisten niet eens van het bestaan van zo’n apparaat, laat staan er eentje kopen.


Gus demonstreert hoe een geel gekrulde kabel met luchtdrukmeter, aangesloten moet worden op iets dat lijkt op een grote zaklantaarn met handvat aan de bovenkant. Dit apparaat heeft kabels met accu-uiteinden. Deze moeten op de accu van de auto aangesloten worden (de volgorde is belangrijk: eerst rood en dan zwart op respectievelijk de plus en de min en als we klaar zijn eerst de zwarte kabel loskoppelen en dan pas de rode!). Hij laat wat lucht uit de band lopen en sluit het apparaat daarop aan en schakelt die vervolgens in. De luchtdrukmeter staat op 20. Hoewel het apparaat puft en sist blijft de teller op die magere 20 staan.


‘Dat is wel voldoende’ concludeert Gus en koppelt het apparaat los. We protesteren, want volgens onze logica klopt er iets niet: de teller moet toch omhoog als het apparaat ingeschakeld is? En de bandenspanning moet toch op 40-45 staan op gewone wegen? Dan moet die band nog naar 45 gebracht worden om straks om de hoek de weg op te kunnen gaan.


Gus haalt een ander apparaat op.
Die laat een luchtdruk van 30 zien.
En ook dit apparaat blijkt geen lucht toe te voegen aan de banden.
Een derde apparaat wordt erbij gehaald.
En een expert.


De bandenspanning staat bij aanvang met dit derde apparaat op 50 en blijft op 50 staan ondanks het uitgebreide puffen en sissen van ook dit apparaat. De expert legt uit dat het bandenpompstationnetje niet genoeg vermogen heeft om de band nog verder op te pompen. En de band is hard genoeg. Hiermee moeten we het maar zien te doen, want de expert vindt het genoeg en maakt zich uit de voeten. Gus blijkbaar ook, want hij pakt het apparaat in en bergt de tas op in de auto.


Enigszins verward vragen we Gus wat er gebeurt als we onderweg ‘niets’ doen: geen lucht eruit laten gaan en ook geen lucht erin pompen.
‘Niet veel’, zegt hij.
‘Waarom zouden we dan de moeite doen om de banden een beetje leeg te laten lopen voor de unsealed roads sealed roads en weer oppompen bij de?’
‘Omdat het beter is voor de banden’, legt Gus uit.


We proberen het opnieuw …
‘Maar als het apparaat te weinig vermogen heeft of helemaal niet blijkt te werken als we de banden willen oppompen, wat gebeurt er dan met de zachte banden als we eenmaal terug zijn op de geasfalteerde wegen?’.
‘Nou, niet veel’ zegt Gus en sluit het gesprek op z’n Australisch af met: ‘No worries’.
We begrijpen er niets meer van. We kijken elkaar aan en het pact is snel gesloten: ons eraan overgeven, niets doen, loslaten en dan maar zien wat er gebeurt, is waarschijnlijk het beste devies in de Outback.



Ondanks de overgave zit het me niet lekker dat ik de kunst van het bandenonderhoud niet begrijp. Het is pas een paar duizend kilometer verder op onze safari (overigens zonder bandenpech … gelukkig ... ) dat we aan de praat raken met onze buurman op de camping in Mornington aan The Gibb. Zo op het oog verwacht ik dat hij er verstand van heeft.


Als ik hem vraag welke bandenspanning hij hanteert met zijn 4x4 krijg ik een genuanceerd verhaal voorgeschoteld. Hij stelt iedere dag proefondervindelijk vast wat de beste bandenspanning is. Hij meet zijn banden met een, wat ik noem
quick ‘n easy apparaatje dat lijkt op een pen (die Gus overigens ook had), rijdt een uurtje en meet opnieuw de spanning. Als er meer of minder dan vier luchtdruk verschil zit tussen de eerste en de tweede meting, dan mindert hij lucht of vult hij deze juist aan. En waar hij mee begint wil hij niet kwijt, omdat ik daar niets aan heb. Die waarde is afhankelijk van het type band, type auto, type weg en ook het weer. Bij rulle zachte zandwegen mag de luchtdruk wel terug naar een minimum (afhankelijk van de zachtheid van het zand terug naar 20 of zelfs 10 kom ik later achter). Het belangrijkste is dat de luchtdruk per band binnen die marge van vier blijft. Ik realiseer me dat hij me net zijn ‘geheim’ van de kunst van het bandenonderhoud heeft onthuld. Intrigerend interessant. Er zijn vast meerdere werkwijzen, maar deze kan ik in ieder geval volgen.


Hij loopt vervolgens naar onze auto en constateert dat het prachtbanden zijn die onder de auto zijn gemonteerd. Uit nadere inspectie blijken het vrachtwagenbanden te zijn. De zijkant van die banden zijn bestand tegen de grovere en puntiger grindwegen die je aantreft aan het begin van het noordelijk deel van The Gibb. Normale banden zijn juist kwetsbaar op die wegen. Deze dus niet. Hij zou ze maar wat graag willen hebben.


Hij leest vervolgens het type band voor terwijl ik naar de bijbehorende bandenspanning in de deuropening (van de bestuurder) van de auto kijk: 36 voor en 67 achter bij een beladen auto.


Hij kan het amper geloven en komt zelf kijken
(check, double check past bij hem) of ik goed gekeken heb. Natuurlijk heb ik goed gekeken en hij is verrast. Die 67 vindt hij heel veel. Bovendien vindt hij die 36 best weinig. Maar ja, het staat in de deuropening. En dat moet je aanhouden. De fabrikant is de expert hoor ik hem denken. Maar ik zie ook twijfel. Want waarom wijkt Britz af van deze aanwijzing? Het is een verrassend gesprekje voor ons beide.


Als ik de buurman volg in zijn manier van werken dan moet ik denken aan ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ van Robert M. Pirsig, een
must-read in de jaren zeventig. In drukke tijden heb ik geprobeerd het boek te lezen. Mogelijk waren die paar bladzijden per keer er de oorzaak van dat ik er niets van begreep. Teleurgesteld heb ik het boek weggelegd. Na vele jaren kwam een nieuwe poging. Een intense ervaring dit magistrale boek.


En nu moet ik er tijdens onze reis door de Outback opnieuw aan denken. Immers, de banden van een 4x4 hebben nogal wat te verduren op moeilijk begaanbare
dirt roads. Enige kennis van zaken kan voorkomen dat je vast komt te zitten of een lekke band krijgt en daarbij mogelijk uren in de snikhete zon moet wachten op hulp die er wellicht niet eens komt … En hier staat iemand voor me die mij dit boek in herinnering brengt. De beschrijving hoe Pirsig in het boek aan zijn motor sleutelt is een metafoor voor waar het boek over gaat, namelijk een zoektocht naar het begrip kwaliteit. Het boek gaat derhalve niet eens over motoronderhoud en ook niet over zen. Maar dat zijn wel de elementen die mij aan het boek doen denken.



Een paar weken later, als we ruim 9000 kilometer met de auto hebben afgelegd, constateren we dat de achterbanden wel een beetje zacht lijken. Toch maar eens naar een benzinestation om de luchtdruk na te kijken. Als we dat doen constateren we: voorbanden 47 respectievelijk 36 en achterbanden beide 36!


We besluiten de voorbanden naar 40 te vullen en de achterbanden naar 45. De vervolgmeting laten we graag over aan de bandenspecialisten bij Britz als zij de auto in gereedheid brengen voor de volgende outbacker.


‘No worries’ …




** In navolging van het boek van Robert M.  Pirsig wordt de techniek van het bandenonderhoud in dit praatje of kleine observatie uitgebreid toegelicht. 











©: 2019 cathinka de vries